|
Annelies en Herman van Rens
Limburg is judenfrei
Deportaties van Joden uit Limburg, en speciaal uit Beek,
tijdens de Tweede Wereldoorlog, een drama in drie
bedrijven
Inleiding
Vijf en
zestig jaar geleden, 8 april 1943, kon Hanns Rauter, de Höhere SS- und Polizeiführer in het bezette Nederland,
voldaan vaststellen dat de Provinzentjudung van
Limburg was voltooid. De laatste nog legaal in deze
provincie verblijvende joden waren afgeleverd in het Judendurchgangslager Hertogenbusch te Vught.[1]
Tijdens de
Tweede Wereldoorlog probeerde het Nazi-regime alle
Europese joden te doden. Tussen de vijf en zes miljoen
mensen werden geëxecuteerd, uitgehongerd of vergast, niet
omdat ze zich hadden verzet tegen het bewind van Hitler,
maar alleen omdat ze geboren waren als jood. De
moordmachine bereikte een half miljoen bewoners van het
getto van Warschau; zij bereikte ook de kleine joodse
gemeenschap van Beek.
De
geschiedenis van de Holocaust in Limburg moet nog worden
geschreven. De geschiedenis van de jodenvervolging heeft
ook in deze provincie haar locale bijzonderheden. Dit
artikel handelt over de weg die vooraf ging aan Rauters
tevreden gevoel op 8 april 1943.
De
meeste van de ruim achthonderd joodse slachtoffers van de
Holocaust waren uit Limburg weggevoerd in drie grote
deportaties. Op 25 augustus 1942 en begin november 1942
werden in totaal vijfhonderd Limburgers via Maastricht
naar Westerbork gedeporteerd. Zij moesten geloven dat het
een vorm van werkverschaffing betrof. Bij de oproep
speelden de Arbeidsbureaus een grote rol, en ouderen en
zieken kregen vrijstelling. Na november 1942 verbleven er
nog een paar honderd joden legaal in Limburg. De
meerderheid bestond uit ouderen. Op 30 maart 1943 kwam het
bevel van Rauter om acht Nederlandse provincies, waaronder
Limburg, vóór 10 april geheel van joden te zuiveren. Alle
joden uit deze gebieden moesten worden verzameld in het
kamp Vught. Op 7 en 8 april kwamen de laatste legale joden
uit de acht provincies het kamp binnen. Onder hen bevonden
zich alle joodse Limburgers, die men te pakken had
gekregen. Het was de derde grote deportatie uit deze
provincie. Hierbij waren ook drie inwoners van Beek
betrokken. Tevens maakten twee bejaarde mensen, die kort
tevoren uit hun woning in Beek waren gezet, omdat de
nieuwe NSB-burgemeester het huis nodig had als ambtswoning,
deel uit van het transport. Zij werden gedeporteerd vanuit
Grevenbicht. Het lot van deze laatste groep Beekse joden
is het onderwerp van deze studie. Het artikel beoogt ook
een historische achtergrond te geven aan de plaatsing van
het monumentje voor de vijf mensen uit Beek, die op 14 mei
1943 werden vermoord in de gaskamer van Sobibor (zie inzet
bij dit artikel). Tenslotte is dit artikel een
mogelijkheid voor de auteurs om een paar onnauwkeurigheden
recht te zetten die waren geslopen in een publicatie uit
1994 over de deportaties uit Beek.
Het hele artikel, zoals
gepubliceerd in Becha, kunt u hier downloaden.(u kunt het artikel ook opslaan door
op de rechtermuisknop te klikken, en te kiezen voor 'doel
opslaan als').
Een uitgebreidere versie van
het artikel, dat betrekking heeft op de hele provincie
Limburg, met meer kwantitatieve informatie, kunt u

[1] Dr. L. de Jong, Het
Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog,
deel 6, juli ’42-mei ‘43, eerste helft (’s-Gravenhage
1975) 355; en: Dr. J. Presser, Ondergang. De
vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom
(1940-1945), deel 1 ( achtste druk, ’s-Gravenhage
1985) 350.
[2] Herman van Rens et
al., Een voetnoot bij de wereldgeschiedenis. Beek
tijdens de Tweede Wereldoorlog (Beek 1994) 79-113.

|