Rondwandeling
Onderstaande tekst komt uit de brochure 'Een rondwandeling langs Beekse
monumenten' die is uitgegeven door de SHOB.
De gehele brochure is hier te downloaden
Inleiding
Deze rondleiding is bedoeld om u ter plekke iets
te vertellen over de Tweede Wereldoorlog in Beek.
U staat voor het Beekse oorlogsmonument, dat is
vervaardigd door de bekende Beekse kunstenaar Arthur Spronken in 1969.
Op de grond rond de zuil zijn bronzen platen aangebracht met de namen
van alle oorlogsslachtoffers, die uit Beek afkomstig zijn, of die op Beeks grondgebied hun leven verloren. Bij elke naam vindt u, naast de
datum en plaats van overlijden, een symbool. Een leeuw duidt op een
gesneuvelde militair. Een davidsster vergezelt de naam van een
vermoorde jood, en een wagenwiel een vermoorde zigeuner. Bij de
overigen, slachtoffers van gevangenschap en oorlogsgeweld, staat een
kruis. Ook de mensen die zijn omgekomen in Nederlands-Indië tijdens de
Tweede Wereldoorlog en tijdens de Politionele Acties staan vermeld. Op
één bronzen tegel staan de namen van drie Amerikaanse piloten, die in
Beek zijn omgekomen, toen hun vliegtuig op 24 oktober 1943 boven Beek
werd neergehaald.
In de rest van de rondwandeling door Beek zal het
vooral gaan over de vervolging van de joden en zigeuners. Vanaf deze
plek is het echter goed om in herinnering te houden dat er meer is
gebeurd in dit dorp. Op 5 oktober 1942 vond het gruwelijke
“bombardement van Geleen” plaats. 256 Engelse bommenwerpers lieten hun
dodelijke lading vallen, vooral boven de buurgemeente. Het was een
tragische vergissing van de luchtmachteenheid, die ten onrechte dacht
dat ze bezig was het Duitse Aken te treffen. In Geleen waren 83 doden
te betreuren, en er was een enorme materiële schade. In Beek viel
slechts één dode, maar de verwoesting was groot. Vrijwel alle winkels
in het centrum tegenover de kerk waren vernield of zwaar beschadigd.
De oorlogsgeschiedenis van Beek is echter vooral
bijzonder om de vervolging van mensen, aan wie het recht om te leven
werd ontzegd omdat ze tot een andere etnische groep behoorden: de
joden en de zigeuners. De Shoah, of Holocaust, maakt de Tweede
Wereldoorlog anders dan andere gewelddadige conflicten. En juist op
dit terrein heeft Beek een aparte geschiedenis. In tegenstelling tot
vrijwel alle andere plaatsen in Nederland, wist Beek de meerderheid
van zijn joodse burgers te redden. Inwoners van Beek hebben zelfs àlle
joden proberen te beschermen, ook de gezinnen die uiteindelijk toch
door de Nazi’s werden gevangen en vermoord. Daarnaast hebben meerdere
joden afkomstig van buiten Beek hier veiligheid gezocht. Ook onder
deze groep onderduikers vielen door verraad op een tragische manier
slachtoffers. Tijdens de rondwandeling zult u kennis maken met het lot
van de kleine joodse gemeenschap in Beek.
Beek was ook een van de weinige gemeenten van
waaruit zigeuners werden gedeporteerd. U zult horen hoe dat in zijn
werk ging, en welk aandeel Beekenaren hadden in die deportatie.
De Stichting Herdenking Oorlogsslachtoffers Beek
wenst u een prettige wandeling, waarbij u het beste het kaartje op de
middenpagina’s van dit boekje als leidraad kunt gebruiken. Ga nu de Sint-Martinuskerk binnen. De kerk is overdag vrijwel altijd open.
Mocht het gebouw gesloten zijn, dan mist u het eerste station. Loop
dan om de kerk heen naar het zigeunermonumentje tegenover de Openbare
basisschool de Kring, Stegen.
Sint-Martinuskerk, Edith Stein
De Duitse Carmelites en filosofe Edith Stein was
van joodse afkomst. Toen in Duitsland de vervolging van de joden
begon, vluchtte zij samen met haar zus Rosa naar Nederland. Zij vonden
beiden onderdak bij de Carmelitessen in Echt.
Op 15 juli 1942 vertrok de eerste trein met joden
uit Westerbork naar Auschwitz. De gezamenlijke Nederlandse Kerken
stuurden een krachtig protesttelegram naar de Duitse autoriteiten: We
“hebben met ontzetting kennis genomen van de …. maatregelen, waarbij
…. gehele gezinnen …. worden weggevoerd ….”. Tevens was gepland, dat
in alle kerken de volgende zondag een herderlijke brief vanaf de
kansel zou worden voorgelezen. De Duitsers waren woedend. Zij dreigden
met represailles, als de brief zou worden voorgelezen. Anderzijds
lieten ze doorschemeren, dat er gewerkt werd aan verzachtende
maatregelen in het geval de kerken alsnog zouden besluiten het
herderlijk schrijven in te trekken. De grootste protestantse kerk, de
Nederlands Hervormde Kerk, zwichtte voor deze chantage. Kardinaal de
Jong, en overigens ook de kleine protestantse kerken, beslisten dat de
brief gewoon zou worden voorgelezen.
Aldus geschiedde. De reactie van de Duitsers was
snel, en keihard. Al op 2 augustus werden alle katholiek gedoopte
joden gearresteerd. Een mooie gelegenheid om tweespalt te zaaien
tussen de Protestantse en de Katholieke Kerken. Op 6 augustus stapten
vele van de gearresteerden in de trein naar Auschwitz. Tijdens dit
transport werd in de trein hardop de rozenkrans gebeden. Onder degenen
die op 9 augustus werden vergast, waren ook Edith Stein, en haar zus.
De medezusters van Edith Stein verhuisden later
naar het Carmelitessenklooster in Beek. De heiligverklaring van deze
joodse zuster heeft veel stof doen opwaaien. Sommige joden zagen
hierin een poging van de (Poolse) Katholieke Kerk om de Holocaust als
het ware te annexeren als een christelijk gebeuren. Van de andere kant
is het duidelijk dat Edith Stein vermoord is, niet alleen omdat zij
joodse was, maar evenzeer omdat zij katholiek was. Haar deportatie is
het directe gevolg van het protest tegen de jodenvervolging door de
Katholieke Kerk.
In de Sint-Martinuskerk te Beek heeft Edith Stein,
onder de naam zuster Teresia Benedicta van het Kruis, achter in de
kerk een drieluik.
Zigeunermonument Stegen
In de opvatting van de Nazi’s waren de zigeuners,
evenals de joden, van een minderwaardig ras. Ook zij moesten worden
vernietigd. Er was echter een verschil: joden waren vanaf het begin
van de oorlog duidelijk als zodanig geregistreerd; zigeuners stonden
in de burgerlijke stand gewoon als “Rooms-Katholiek”. Om hen op te
sporen was de medewerking van de plaatselijke bestuurders nodig.
In Beek woonden tien zigeuners: de grote familie Franz. Negen van hen woonden in een woonwagen, die stond in een
weilandje aan de Stegen: vader Johann, moeder Ernestine, en de
dochters Buntla, Zulla en Mady, en de zoons Luitze, Hans, Peppie, en
Eifa. De vijfde zoon Mannela was getrouwd, en woonde met vrouw en twee
kleine kinderen in een huis in de Kloostersteeg. De familie Franz
verdiende de kost met muziek maken, en kleine handel.
Op 16 mei 1944 werd in heel Nederland een grote
razzia gehouden op zigeuners. Sommige burgemeesters hadden – in strijd
met de waarheid - ontkend, dat zich binnen hun gemeente zigeuners
bevonden. Zo niet N.S.B.-burgemeester Regout van Beek. Hij belastte
twee Beekse politieagenten met de taak de familie Franz te arresteren.
Mannela Franz in zijn woning wist te ontsnappen.
(zie blz. …). De negen bewoners van de woonwagen werden gearresteerd,
en via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Slechts Zulla, Mady en
Eifa keerden ziek en uitgehongerd terug.
In 1993 werd het monument geplaatst op de plaats
waar de woonwagen stond. De maker is beeldhouwer Math van Kampen uit
Beek. Uitgebeeld is het dagelijks leven van een gewoon rondtrekkend
gezin. U moet vooral het monument van beide zijden bewonderen. Het
opschrift “Wij lieten hen gaan” verwijst naar het feit, dat Beek deze
dorpsgenoten niet heeft beschermd. Ten tijde van de onthulling was dit
opschrift aanleiding tot een heftige discussie in de gemeenschap.
Mensen van het Sinti-volk wijzen er terecht op
dat hun leed tijdens de Tweede Wereldoorlog nog weinig erkenning
vindt, en dat discriminatie van zigeuners niet beperkt is tot die
tragische periode van de geschiedenis. Het zigeunermonument is het
enige in Nederland.
Grafmonument van Gerrit Cohen op de joodse
begraafplaats, Putbroekerstraat
De familie Cohen was een joods middenstandgezin
uit Geleen, goed geïntegreerd in de Geleense samenleving. Kerkelijk
behoorde de familie bij de synagoge van Beek.
De meeste Limburgse joden zijn in één groot
transport via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd, op 25 augustus
1942. Dat ging onder het mom van werkverschaffing, arbeidsverruimende
maatregelen. Daarom stonden alleen mannelijke joden tussen 16 en 65
jaar op de lijst. Zij moesten wel hun echtgenoten en kinderen
meenemen. Toen was al duidelijk, dat het lot van de joden in het
oosten zwaar, vaak dodelijk zwaar zou zijn.. Dat leidde tot heftige
discussies in vrijwel alle joodse gezinnen: gehoorzamen aan de
overheid of onderduiken?
In Beek beslisten de meesten om NIET te gaan, met
uitzondering van Leo Benedik, en het gezin van der Horst (zie blz.
..). Ook in het gezin Cohen vonden pittige discussies plaats. De stem
van de gezagsgetrouwe vader Simon gaf de doorslag: men wachtte op de
komst van de politieagenten. Zoon Gerrit, die fel had gepleit om onder
te duiken, wachtte ook. Maar toen op de deur werd geklopt, ontvluchtte
hij alsnog. Via een dakraam bereikte hij het platte dak en de zolder
van de buren. Daarna dook hij onder.
Van zijn familieleden, en van de andere 25
gedeporteerden uit Geleen en Beek kwam niemand terug. Op 31 augustus,
koninginnedag, kleurde voor één keer de lucht boven Auschwitz grauw
van Limburgse rook.
Gerrit leefde de rest van zijn leven verder in Geleen. Voor zijn overlijden had hij beslist dat zijn grafmonument ook
een herinnering moest zijn aan zijn vermoorde ouders en zusjes.
Het monumentje op de intieme joodse
begraafplaats, waar u nu staat, vermeldt dan ook zes namen. De
zegenende handen wijzen er u op dat hier begraven is een mens uit het
priestergeslacht Cohen.
De synagoge, Molenstraat - kruispunt met Synagogepad Joods monument, Burgemeester Janssenstraat -
kruispunt met Raadhuisstraat
Beek heeft op dit ogenblik geen synagoge meer, en
geen joodse gemeenschap. Dat komt slechts voor een deel door de
oorlog. Van alle 26 Beekse joden, met uitzondering van het
vluchtelingenechtpaar Steinberg (zie blz …), is bekend dat zij
minstens een aanbod kregen om onder te duiken. Dorpsgenoten waren het
steeds die hen wilden beschermen. In die zin is de geschiedenis van
Beek bijzonder. Uiteindelijk besloten 8 personen om niet onder te
duiken, om uiteenlopende redenen. Zestien Beekse joden werden wel
gered.
De synagoge verloor zijn functie omdat de
overlevenden uit Beek verhuisden, op natuurlijke wijze overleden, of
naar het katholieke geloof overgingen.
Om de herinnering aan de joden, die eeuwenlang
een markant aandeel hebben gevormd van de Beekse bevolking, levend te
houden, werden twee herinneringstekens geplaatst.
Op het trottoir bij de kruising Burgemeester Janssenstraat- Raadhuisstraat staat het joods monument., vervaardigd
door de Beekse beeldhouwer Francisca Zijlstra, en onthuld in 1987.
Een sterk gestileerde liggende figuur
symboliseert de verdwenen joodse gemeenschap. Op een dwarse hardstenen
balk leest men in het Hebreeuws en in het Nederlands de tekst uit
psalm 118, vers 20, die ook boven de deur van de Beekse synagoge
stond: “Dit is de poort naar de Eeuwige. Rechtvaardigen mogen hierdoor
binnengaan”.
Precies op de plek in de Molenstraat, waar tot
1954 de synagoge stond, is tegen de gevel van het appartementencomplex
dat – toepasselijk – aan het Synagogepad ligt, in 2004 een plaquette
aangebracht. Beeldhouwer Math van Kampen ging uit van de enige foto
die bekend is van de joodse synagoge. Om het reliëf van de synagoge
heen staat een tekst uit Genesis: “Inderdaad, de Eeuwige is op deze
plaats aanwezig, en ik wist het niet” (Gen 28: 16)
Maastrichterlaan 49
In de jaren dertig had Nederland een
“vluchtelingenprobleem”. Tienduizenden joden uit Duitsland trachtten
in ons land veiligheid te vinden voor de vervolgingen in de staat van Hitler. Zij waren in het algemeen niet welkom. Velen werden geweigerd
bij de grens, of teruggestuurd naar Duitsland. Ongeveer dertigduizend
joodse vluchtelingen vonden wel in Nederland hun nieuwe woonplaats,
acht personen, drie gezinnen, in Beek. De familie Bogen werd meteen na
de bezetting overgebracht naar het – toen nog – opvangkamp Westerbork.
Op de familie Kanarek komen we terug op blz … .
Het bejaarde echtpaar Steinberg-Hertz, een middenstandgezin uit Goch,
huurde het pand Maastrichterlaan 49. Kort na de bezetting moesten zij
hun Beekse, en “arische” dienstmeisje ontslaan. Door de rassenwetten
was het de joden verboden niet-joods personeel in dienst te hebben.
Anderhalf jaar later, in 1942, moesten zij hun huis verlaten. De reden
was eenvoudig: de nieuwe N.S.B.-burgemeester van Beek, G. Smalbach,
had dringend een representatieve woning nodig in Beek.
Het echtpaar Steinberg verhuisde naar een kleine
woning in Grevenbicht. Vandaaruit werden ze, evenals alle bejaarde
Limburgse joden die in 1942 van deportatie waren vrijgesteld, omdat ze
niet in aanmerking kwamen voor “arbeidsverruimende maatregelen”,
overgebracht naar het kamp Vught. Op 8 mei 1943 gingen ze naar Westerbork, en op 11 mei stapten ze in de trein naar Sobibor. Bij
aankomst werden allen vergast.
De familie Steinberg is het enige joodse gezin,
dat geen enkele hulp van Beekenaren heeft gehad om de oorlog te
overleven.
Proosdijstraat 15
Giel Lacroix was als soldaat tijdens de
mobilisatie bevriend geraakt met de Haagse bontwerker Herman Ringer.
Herman was jood. Giel zag het gevaar, en nodigde Herman uit in zijn
huis in de Proosdijstraat onder te duiken. Herman vroeg ook hulp voor
zijn zus, zijn zwager, en hun drie kleine kinderen Estella, Samuel en
Benjamin Meyers. Die hulp werd geboden. Herman Ringer, en de kleine Samuel (5 jaar) en Benjamin (2 jaar) kregen onderdak bij Giel en zijn
vrouw en dochter. De drie andere onderduikers werden ondergebracht bij
familie in Eijsden en Heer. Herman hield zich schuil. De kinderen
kwamen gewoon op straat, onder de naam Kees en Bennie. Zij zouden
evacués zijn uit het gebombardeerde Rotterdam. Kees bezocht zelfs de
kleuterschool in Beek. De kleine Bennie vertelde argeloos in de buurt
rond dat hij eigenlijk Benjamin heette, een gevaarlijke naam in die
dagen. Om veiligheidsredenen werd hij overgeplaatst naar een vierde
gezin uit de familiekring van Giel Lacroix, in Stein.
Begin 1944 praatte een Haagse kennis van de
familie Meyers haar mond voorbij tijdens een feestje. Zo kwam de
politie op het spoor van de zes onderduikers. Op 20 maart deed de
Gestapo midden in de nacht een inval, gelijktijdig op de vier adressen
in Beek, Stein, Heer en Eijsden. Mevrouw Lacroix moest toezien hoe
Herman Ringer en de toen zesjarige Samuel door de politieagenten de
trap werden afgejaagd. Het was koud. Snel trok ze Sammie nog twee
truien over elkaar aan, en stopte ze Herman een zak ongesmeerd brood
in zijn handen.. Op 26 maart arriveerde het groepje in Auschwitz. De
jonge moeder en haar drie kinderen werden bij aankomst vergast, de
twee mannen als arbeiders in het kamp ingeschreven. Zij waren jong en
sterk, en overleefden het kamp.
Professor Spronckpark 4
Simon van der Horst was handelaar in textiel. Een
deel van zijn bedrijf bevond zich in Amsterdam. Omdat joden beperkte
bewegingsvrijheid genoten, verbleef hij doorgaans in Amsterdam. Zijn
vrouw Clara en zijn kinderen Karel en Branca bewoonden het huis waar u
nu voor staat. Simon behoorde tot de groep arbeidsgeschikte joden, die
in augustus 1942 werden opgeroepen voor “arbeidsverruimende
maatregelen”. Minstens tweemaal werd door Beekenaren aandrang
uitgeoefend op Van der Horst om onder te duiken: door de
gemeenteambtenaar Willy Sangers (zie blz … ), en door Harrie Piek, die
ook geholpen had bij de onderduik van Fred Benedik en de familie Kanarek (zie blz ….). Van der Horst wilde of durfde niet.
Op de dag van de grote Limburse jodendeportatie,
25 augustus, werden de vier gearresteerd.
Moeder Clara en Branca op het station. Zij hadden
die dag toestemming om met de trein naar Roermond te gaan, waar de
lichamelijk en geestelijk gehandicapte Branca op controle moest komen
bij de specialist in het ziekenhuis. Vader Simon werd gearresteerd in
Amsterdam. Karel (15 jaar) was thuis, met een vriend. Een verzetsman
uit Geleen deed nog een laatste poging Karel over te halen om met hem
mee te gaan, zonder succes. Een paar uur later kwam de
gemeenteveldwachter hem ophalen. Deze bracht hem naar het verzamelpunt
voor Limburgse joden in Maastricht.
De ambtenaren in Beek deden hun werk. Het huis
werd verzegeld, en een gedegen inventarislijst werd opgemaakt. We
weten dat Van der Horst bij zijn deportatie onder meer “1/2 kg getrocknete äpfel, en 150 maggiwürfel”in huis had.
Clara en Branca werden op 31 augustus in Auschwitz vergast; Simon en Karel werden als arbeiders in het kamp
ingeschreven, en overleden korte tijd later.
Hennekenshof, Wolfeynde 4
In de geschiedenis van het gezin Kanarek laat
zich de tragiek van de oorlog vertellen. Vier gezinsleden, joden,
vluchtten in 1934 naar Beek vanuit het Duitse Hörde. Als
middenstanders, maar volkomen berooid, openden zij een kleine
kruidenierswinkel in Beek. Dochter Gerda overleed in 1936 aan
tuberculose, in die tijd een volksziekte. Hun trouwe niet-joodse
dienstbode en huisgenote moest worden ontslagen. In augustus 1942 vond
de deportatie plaats van alle arbeidsgeschikte Limburgse joden, met
hun gezinnen. De ouders Kanarek werden wegens hun leeftijd voorlopig
vrijgesteld. Alleen Frans, de 27-jarige zoon, moest zich gereedhouden
voor vertrek in verband met “arbeidsverruimende maatregelen”.
De onderduik van Frans werd door zijn Beekse
vrienden zeer zorgvuldig voorbereid. Hij schreef aan zijn ouders een
brief dat hij naar Zwitserland was gevlucht. De heer en mevrouw Kanarek deden aangifte bij de politie in Beek. Ondertussen verbleef
Frans op de zolder van sigarenfabriek Hennekens, waar u thans
voorstaat. De schuilplaats tussen de spitse dakjes was alleen
zichtbaar vanaf de kerktoren. Het was er gezellig ingericht, zelfs een
dakterras om te zonnen ontbrak niet. Enkele maanden later overleed
plotseling vader Adolf Kanarek. Hem werd de ellende van verdere
vervolging bespaard. Zijn zoon kon niet naar de begrafenis.
In 1943, toen ook de resterende joden uit Beek
zouden worden verzameld in kamp Vught, voegde mevrouw Kanarek zich bij
haar zoon op zijn zolder.
Na de bevrijding van Beek nam Frans dienst bij de
Stoottroepen, om mee te helpen bij het definitief verslaan van de
Nazi’s. In de vochtige en koude winter 1944-45 stak bij hem een oude
tuberculose de kop op; hij overleed in maart 1945.
Wanneer u gaat staan op het trottoir voor de
meubelwinkel van Mosmüller aan de overkant van de Stationsstraat, kunt
u net de zijkant van het zolderverblijf van de Kanareks zien.
Kloostersteeg 3
In dit huis woonde in het begin van de oorlog een
man, die de Duitse nationaliteit had: Frits Linke. Hij werd na de
inlijving van Nederland opgeroepen voor dienst in de Wehrmacht. Hij
ging, maar deserteerde spoedig daarna. Voor deserteurs was er maar één
straf: de kogel. Daarom dook Frits onder in Roggel, in een plaggenhut
in de Peel.
Hij was familie van de echtgenote van de oudste
zoon van de zigeunerfamilie Franz, Mannela. Omdat het huis aan de
Kloostersteeg na de onderduik van Frits vrijkwam, trok Mannela Franz
met vrouw en twee kleine kinderen in de woning.
Op 16 mei 1944, toen zijn ouders, broers en
zussen werden gearresteerd door de Beekse politie (zie blz … ), werd
midden in de nacht ook op de deur gebonsd bij Mannela. Terwijl zijn
vrouw de agenten aan de praat hield ontsnapte Mannela in nachtkleren.
Met een touw van een paardentuig wist hij door een raampje aan de
politieagenten te ontkomen. Het bewuste raampje is nog te zien. U moet
daarvoor op de kleine parkeerplaats zijn, achter de woning. Mannela
zocht en vond onderdak bij …. Frits Linke, in diens plaggenhut. De
vrouw van Mannela en de twee kleine kinderen zijn hier later ook nog
korte tijd ondergedoken.
Een met de dood bedreigd zigeunergezin, dat wordt
beschermd door een Duitse deserteur!
Gemeentehuis
U bevindt zich voor de oude ingang van het
gemeentehuis van Beek. Burgemeester van Sonsbeeck was om principiële
redenen afgetreden en vervangen door de N.S.B.-er Smalbach. In het
kamertje links van de deur zat de afdeling Burgerlijke Stand. Hier
werkte Willy Sangers, samen met een Duitsgezinde collega. Onder de
ogen van deze collega, en die van de burgemeester, wist Sangers de
grootste prestatie van het verzet in Beek gestalte te geven. “Och, ik
zat nu eenmaal op die plaats”, zei hij later. Een understatement. Hij
heeft van de Burgerlijke Stand een rommeltje gemaakt waar men jaren na
de oorlog nog last van had. Vele tientallen mensen “verdwenen”uit de
administratie, doden werden administratief tot leven gewekt. Dit alles
om mensen te helpen, mensen die voor de arbeidsinzet naar Duitsland
zouden moeten, maar vooral: joden.
Sangers heeft alle Beekse joden gewaarschuwd. Hij
stimuleerde hen om onder te duiken. Hij gebruikte zijn voorkennis van
alle plannen van een criminele overheid en van zijn foute baas. Hij
produceerde valse persoonsbewijzen met echte stempels. In alle stilte
deed hij het, zijn collega’s wisten van niets.
Een anekdote: Sangers adviseert de Beekse jood
Alfred Benedik onder te duiken. Hij adviseert hem het persoonsbewijs
van zijn leeftijdgenoot Harry Piek mee te nemen, en onder deze naam in
Noord Limburg verder te leven. Harry Piek zelf krijgt het advies om
aangifte te doen van verlies van zijn persoonsbewijs. In aanwezigheid
van de burgemeester geeft Sangers aan Piek een stevige uitbrander, en
hij maakt een splinternieuw persoonsbewijs. Piek is geholpen, en gaat
door met hulp aan joodse onderduikers.
Vooral door Sangers’ activiteiten overleefde de
meerderheid van de joden uit Beek.

|